Gemeente-special #7: Lokale filmvertoning blijft relevant
datum 02 Mar 2022 geplaatst door Redactie

Gemeente-special #7: Lokale filmvertoning blijft relevant

 

De lokale filmvertoning lijkt al een aantal decennia gevaar te lopen. In de vijftiger jaren door de komst van de oude media c.q. de televisie, in de nineties als gevolg van de video en nu sinds enige tijd vanwege de nieuwe media zoals streamingplatforms die de wereld veroveren. Toch zagen zowel de grotere gesubsidieerdef filmtheaters als de commerciële bioscopen, het aantal bezoeken van 2011 tot en met 2019 stijgen van 30,5 naar ruim 38 miljoen. Daarnaast zijn er kleinere filmtheaters en zogeheten filmhuizen. Na de coronaperiode is er nu een minder rooskleurige situatie.

Door de lockdown waren de bioscopen en filmtheaters in 2021 in totaal 24 weken dicht. Op de momenten dat zijn wél open mochten, golden er bovendien beperkende maatregelen. Het gevolg was dat er maar 14,3 miljoen bezoekers werden geteld. Ter vergelijking: in het eerste coronajaar 2020 waren dat er ruim 16,7 miljoen. In pre-coronajaar 2019, toen er nog geen vuiltje aan de lucht was, telden de bioscopen en filmtheaters zoals gemeld meer dan 38 miljoen bezoekers. Tijdens de Dag van de Popcorn op 19 januari jl. luidden zij daarom de noodklok: ondanks coronasteun vanuit het Rijk zijn de reserves op en heeft de branche naar eigen zeggen nog jaren nodig om zich te herstellen. De deuren zijn op dit moment weer open en gemeenten kunnen helpen bij het herstel.

Taken van het Rijk
Het Nederlands Filmfonds is een van de zes cultuurfondsen die de minister van OCW heeft ingesteld. Als missie geldt het stimuleren van een divers en kwalitatief hoogstaand filmaanbod en het bevorderen van een voor de filmkunst ontvankelijk (productie)klimaat in Nederland. Het fonds richt zich op de professionele, onafhankelijke filmsector en verstrekt financiële bijdragen voor:

  • de ontwikkeling, realisering en distributie van filmproducties: speelfilms, documentaires, animatiefilms, onderzoek & experiment en korte films.    
  • filmactiviteiten zoals festivals, filmbijeenkomsten, filmeducatiehubs, publicaties & onderzoek en talentontwikkeling door middel van training buiten het maakproces om.  

Naast het Filmfonds bekostigen commerciële producenten (en soms ook distributeurs) in het maken van films. Deze nemen daarbij een financieel risico, want zij zijn afhankelijk van het aantal bezoekers.

Lokale taken
Gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor de lokale non-profit filmtheaters en filmhuizen. Voorheen bij het Filmfonds bestaande consulenten voor lokale ondersteuning en subsidies voor investeringen in lokale filmtheaters zijn verdwenen. De lokale bioscopen en filmtheaters staan per betalende bezoeker een deel van hun inkomsten af aan het landelijke Abraham Tuschinski Fonds voor het laten vervaardigen van films met een te verwachten groot publieksbereik. Dit gebeurt op basis van een convenant gesloten toen de BTW op de entree werd verlaagd. Indien een film lokaal veel geld oplevert, dan storten de bioscopen en filmtheaters een deel van hun opbrengst terug naar het Filmfonds voor nieuwe producties. Vanwege de coronaterugloop van het aantal bezoekers heeft het Rijk noodsteun aan beide bovengenoemde landelijke fondsen verleend en voor de lokale filmtheaters deels via de gemeenten.

Wetsvoorstel ter stimulering van Nederlandse films
Als gevolg van een Europese richtlijn is eind 2020 is een voorstel tot wijziging van de Mediawet in verband met het invoeren van een investeringsverplichting ten behoeve van Nederlands cultureel audiovisueel product door het Rijk in consultatie gebracht. Dit betreft de landelijke omroepen, (inter)nationale streamingplatforms en lokale filmvertoners. Voor de laatste categorie komt deze verplichting in plaats van het huidige BTW-convenant. De Kamerbehandeling wordt dit najaar verwacht.

Vier typen vertonende instellingen
Film kan verschillende gedaanten hebben: entertainment, culturele uiting, propagandamiddel,  journalistiek medium of (levens)document. Het gaat bij de reguliere vertoning in ons land om een blik op de wereld met films uit 60 landen. Bovendien is er sprake van een sociale functie. Er zijn vier typen vertonende instellingen: grotere professionele spelers zoals de commerciële bioscopen en grotere gesubsidieerde filmtheaters plus kleinere (vrijwilligers)organisaties zoals de kleinere filmtheaters en filmhuizen. De Nederlandse Vereniging van Bioscopen en Filmtheaters (NVBF) telt 270 leden en kent een Landelijk Overleg Filmtheaters. Voor de filmhuizen is er sinds begin 2022 de Landelijke Vereniging van Filmhuizen.

156 bioscopen
De 156 bioscopen hebben bijna 800 doeken en zijn voor de helft in handen van een buitenlands concern. De bioscoop is een private onderneming. Welke films er worden vertoond is de keuze van de ondernemer, die zijn of haar bedrijf draaiend moet houden. Deze keuze is vooral gebaseerd op het publiek in de omgeving. Het aanbod is daarom op iedere plek anders. In een regio waar de bioscoop de enige voorziening is, is het dé plaats voor vertier, maar dat niet alleen. Hoewel filmeducatie vooral een taak is van de filmtheaters, zijn er ook bioscopen die kinder- en schoolvoorstellingen organiseren. Zo worden het de plekken waar de gemeenschap van kinds af aan een relatie met film opbouwt. 

41 grotere en 79 kleinere filmtheaters
Alle filmtheaters zijn in oorsprong de thuishavens voor relevante, maar commercieel kwetsbare films. Films met een bijzondere cinematografische, kunstzinnige of maatschappelijke waarde, die onze kijk op de wereld nuanceren of onze horizon verbreden. De instellingen hebben bovendien oog voor de waarde van filmhistorische en educatieve programma’s. De 41 grotere filmtheaters in de grotere steden van ons land vertonen bijna dagelijks films, hebben meestal een of twee zalen, er is sprake van betaald personeel en zij worden door de gemeente gesubsidieerd. De 79 kleinere filmtheaters, aanwezig met name in gemeenten rond 50.000 inwoners, programmeren vrijwel nooit dagelijks, gebruiken in veel gevallen slechts één zaal, zij drijven veelal op vrijwilligers en worden meestal niet gesubsidieerd.

94 filmhuizen
Omdat actuele gegevens over niet NVBF-leden ontbraken is in december 2021 ‘De verkenning van kleinschalige filmvertoning’ verschenen. Er blijken in ons land 94 plekken te zijn waar regelmatig films voor het publiek worden vertoond. Deze zogeheten filmhuizen drijven evenals de kleinere filmtheaters op vrijwilligers en hebben bijna nooit gemeentelijke subsidie. Terwijl de bioscopen en grote filmtheaters zich vooral richten op premières (de eerste filmcyclus of eerste omloop), zijn de kleine filmtheaters en filmhuizen vooral aangewezen op de tweede of derde cyclus waarbij ze nieuwe films pas weken of maanden na de landelijke première kunnen vertonen. Het grote verschil is de technische outillage: de filmhuizen doen i.t.t. de filmtheaters niet mee aan het digitale NVBF-vertoningssysteem. Voorts maken ze gebruik van een ander distributiesysteem. Zij zijn vooral te vinden in gemeenten rond 40.000 inwoners.

Veel filmfestivals
Naast de reguliere vertoningsplekken zijn er filmfestivals in vele soorten en maten, ze vinden plaats in bioscopen en filmtheaters evenals bij feestelijke premières en bijeenkomsten. Vier worden er structureel door het Rijk gesubsidieerd. Zij laten respectievelijk Nederlandse, internationale, documentaire en kinderfilms zien en voeren daarover in het kader van de ontwikkeling van het genre ook het debat met professionals en publiek.

Zes tijdelijke filmeducatiehubs
In het kader van de regeling Filmeducatiehubs hebben zes hubs projectsubsidie voor twee jaar van het Nederlands Filmfonds gekregen: van 1 juli 2021 tot 1 juli 2023. Het gaat om regionaal ingebedde organisaties, die activiteiten voor film- en beeldeducatie in hun gebied afstemmen en vraag en aanbod samenbrengen. Het doel is te zorgen dat meer kinderen in het primair en voortgezet onderwijs leren reflecteren op bewegend beeld en zelf ook ervaring opdoen met het creëren ervan. Het betreft de volgende stichtingen en werkgebieden die in totaliteit landsdekkend zijn: De Toneelschuur Haarlem – Noord-Holland; Filmhuis Den Haag –  Zuid-Holland; Film- en Theatercentrum Plaza Futura Eindhoven – Zuid; Forum Groningen – Noord; Lux Nijmegen – Oost; Theater de Lieve Vrouw Amersfoort - Midden Nederland. Samen vormen zij het netwerk filmeducatie gecoördineerd door Eye Filmmuseum. Zie: www.filmeducatie.nl

Tweede digitaliseringsnoodzaak 
Alle filmtheaters en bioscopen in Nederland zijn sinds 12 september 2012 voorzien van digitale projectieapparatuur. 506 van de toen in totaal 789 bioscoopdoeken in Nederland werden gedigitaliseerd door Cinema Digitaal. Drie bioscoopketens en enkele onafhankelijke theaters digitaliseerden zelfstandig. Tevoren was bekend dat de apparatuur na 10 jaar afgeschreven zou zijn. Dus nu anno 2022 is er sprake van een tweede digitaliseringsnoodzaak. De eerste keer was er sprake van bijdragen door de instellingen en de overheden. Nu zal dit ook het geval moeten zijn. 

Arbeidsvoorwaarden ad hoc bepaald
Binnen de culturele sector is Fair Practice Code en met name de eerlijke beloning daarbinnen over het algemeen een aandachtspunt.  Er is een speciale versie voor de audiovisuele sector, waarbij het met name gaat om een intentieverklaring door en voor professionals in de filmproductie. In de praktijk geldt echter het volgende. Bij de vertoning is de voorheen bestaande Cao voor het bioscoopbedrijf (eerder ook geldend voor filmtheaters) per 1 juli 2017 door de werkgevers opgezegd. Bij de productie is er geen Cao en ook geen honorariumrichtlijn. De minister van OCW wil dat met behulp van Platform Arbeidsmarkt Culturele en Creatieve Toekomst (ACCT) hierin verbetering komt.